'Het ging als een speer'


Vijftig jaar na het eerste Haags Songfestival vond Sjaak Bral het weer tijd voor een derde editie. De cabaretier hoopt als presentator op veel diversiteit, maar ziet dat de meeste deelnemers toch hun best hebben gedaan om een traditioneel Haags lied te maken.

 

Het is puur toeval dat het derde Haags Songfestival in hetzelfde jaar valt als het Eurovisie Songfestival in Rotterdam. De aanleiding: vorig jaar was het vijftig jaar geleden dat het eerste Haags Songfestival plaatshad, maar corona zorgde voor een jaar uitstel. Na de tweede editie in 2003 gaan vanaf vrijdag 21 Hagenaars, verdeeld over drie voorrondes, met elkaar de strijd aan voor een beker en eeuwige roem. Onder de deelnemers bevinden zich rapper D. Chesron, KNVB-voetbalscheidsrechter Marjolein Jua en gemeenteraadslid Jelle Meinesz. Er is geen publiek aanwezig, maar deze editie van het Haags Songfestival wordt wel uitgezonden via de Haagse media.


Tijdens elke voorronde worden zeven deelnemers beoordeeld door steeds een andere jury. Per ronde plaatsen twee deelnemers zich voor de finale. Er is dan weer een nieuwe jury en óók het publiek thuis mag dan via televoting zijn stem uitbrengen. Het winnende lied van het Haags Songfestival wordt uitgebracht op een cd-single. De organisatie is in handen van Gerard van de IJssel en de R.G. Ruijs Stichting. Presentator Sjaak Bral verwacht er veel van: “Een paar liedjes springen er écht uit.”


Waaraan moet een goed lied voldoen?

Bral: “De Hagenees, in welke verschijningsvorm dan ook, moet het liedje vanuit het hart zingen. Je hoeft niet per se over de Pier te zingen of over het Binnenhof. Het mag ook gaan wat jij in Den Haag prettig vindt.”


Waarom is het belangrijk dat er een Haags Songfestival is?

“We zijn allemaal trots op Den Haag, alleen zijn we niet zo goed in het uiten van die trots. Je stad bezingen is een goede manier om dat uit te stralen. En zodoende hebben we besloten om gewoon weer een Songfestival te houden. Tot mijn stomme verbazing liep het als een speer. Meer dan zestig inzendingen hebben we ontvangen. Ik heb ze natuurlijk allemaal beluisterd.”


Allemaal?

“Ja, dat moet ook wel. Als organisator moet je daar de moeite voor nemen.”


U hoopte op een mix: Turkse pop, rappers, Chinese zangeressen en Hindoestaanse Bollywood…

“Er zitten wel degelijk inzendingen bij die uit die hoek komen, maar het merendeel doet toch zijn best om een traditioneel Haags lied te maken. Bij het Songfestival denken mensen toch al gauw aan oubollige muziek.”


Jammer?

“Den Haag is allang niet meer groengeel, bakkie pleur en de Haagse taal. Op dit moment bestaat de bevolking van Den Haag voor meer dan de helft uit mensen zonder Haagse afkomst. Die horen er ook allemaal bij en die wil ik ook weerspiegeld zien in zo’n Songfestival.” Daarna, lachend: “Je maakt mij niet blijer dan met een bezoek aan de Haagse Markt waar een Marokkaanse jongen die voornamelijk ingewanden verkoopt, met een Haagse tongval praat. Alleen om die gozer ga ik er al langs.”


Kent u trouwens enkele kandidaten persoonlijk?

“Nou ja, Den Haag is een dorp. Heel veel mensen ken je al. Maar goed, het gaat uiteindelijk om de kwaliteit van een liedje. Ik ken bijvoorbeeld Robbie de huismuzikant. Hij is een drummer die overal muziek maakt. Zo zijn er meer muzikanten die ik ken, maar dat heeft geen invloed op hun uiteindelijke score.”


Waarom doet u zelf niet mee?

Lachend: “Dan wordt het toch een beetje de slager die zijn eigen vlees keurt. Ik denk dat ik veel te bang ben om af te gaan. Ik doe het op een andere manier. Ik wil graag een podium bieden aan mensen die vanuit hun hart een mooi lied over Den Haag hebben geschreven.”


Dus we gaan u niet horen zingen op dit Songfestival?

“Nee, echt niet. Het zingen laat ik over aan de kandidaten.”